
In het koninkrijk Lepelia was alles net een beetje anders dan elders. De zon kwam er op in tinten van paars, katten lazen boeken, en soep werd—tot grote verbazing van reizigers—altijd gegeten met een vork.
Op een dag ontdekte de jonge leerling-tovenaar Miro dat hij was uitgekozen voor de Grote Soepproef. Voor hem stond een dampende kom Sterrenbouillon, vol glinsterende wortelschijfjes, zingende noedels en geheimzinnige kruiden die zachtjes fluisterden. Naast de kom lag geen lepel, geen brood… alleen een zilveren vork.
“Onthoud,” zei Meester Pollepel streng, “de soep laat zich niet vangen. Ze moet overtuigd worden.”
Miro prikte voorzichtig met zijn vork in de soep. Meteen sprong een noedel op, boog beleefd en wikkelde zich om de tanden van de vork. Een wortel volgde, daarna nog een. Maar de bouillon zelf bleef eigenwijs in de kom achter, alsof hij lachte.
Gefrustreerd wilde Miro opgeven, tot hij zich herinnerde wat zijn oma altijd zei: Soep met een vork eet je niet met je handen, maar met je hart.
Hij sloot zijn ogen, stak de vork opnieuw in de kom en luisterde. De soep begon te draaien, steeg langzaam op en veranderde in een warme mist die hem omhulde. Met elke hap die hij “at”, begreep hij meer van het koninkrijk: waarom dingen soms anders moeten zijn, en dat niet alles bedoeld is om vast te houden.
Toen de kom leeg was, knikte Meester Pollepel tevreden.
“Je bent geslaagd,” zei hij. “Niet omdat je de soep opat, maar omdat je haar begreep.”
En zo werd Miro de eerste tovenaar in eeuwen die wist: zelfs soep met een vork kan magisch zijn—als je maar durft te proberen.